Plenair Dittrich bij behandeling Wet invoering tweestatusstelsel, Asielnoodmaatregelenwet en novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf



Verslag van de vergadering van 13 april 2026 (2025/2026 nr. 25)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 18.45 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich i (D66):

Dank u wel, voorzitter. Mijn vader vluchtte uit het toenmalige Tsjecho-Slowakije voor het communisme. Hij zocht en vond asiel in Nederland. Als kind van een vluchteling heb ik er mijn hele leven voor gekozen om mij met het thema migratie in brede zin bezig te houden. Als advocaat deed ik bijvoorbeeld vreemdelingenpiket in Amsterdam, en als rechter maakte ik deel uit van de Vreemdelingenkamer. Als Tweede Kamerlid voor D66 werd ik in 1994 woordvoerder Asiel en Migratie.

In die periode kwamen er overigens meer asielzoekers naar Nederland dan vandaag de dag. In 1998, de tijd van Paars II, heb ik mij samen met staatssecretaris Cohen en de collega's van de VVD en de PvdA maandenlang beziggehouden met het uitdenken van voorstellen voor de Vreemdelingenwet 2000, wat wij toen "de grootste operatie van wijziging van asielregels" noemden, tot uiteraard de onderhavige wijzigingen van 2026. In al die jaren merkte ik dat gesprekken en debatten over asiel al heel gauw gingen over cijfers, grafieken en stromen mensen. Maar voor mij en voor D66 staat de mens centraal. Het gaat om mensen die zijn geboren en getogen in Nederland, maar ook om mensen die we hier een fatsoenlijk toevluchtsoord willen bieden. D66 wil grip op migratie, grip op hoeveel mensen en welke mensen ons land binnenkomen, grip op hoe en waar zij worden opgevangen en verblijven, en ook grip op de terugkeer van mensen die terug moeten of terug willen.

Deze asielwetten zijn, samen met het Europees Asiel- en Migratiepact, een heel grote verandering in ons asielbeleid, de grootste van de afgelopen 25 jaar. De belangrijkste vraag voor mijn fractie is: zorgen deze wetten ervoor dat we meer grip op migratie krijgen, op een manier die uitvoerbaar, effectief en rechtvaardig is? Om die vraag te beantwoorden, begin ik met het onderdeel dat D66 als een steen op de maag ligt, namelijk de strafbaarstelling van illegaliteit.

De criminalisering van mensen die om welke reden dan ook geen juiste papieren hebben, draagt voor mijn fractie niet bij aan grip op migratie. Er zijn namelijk tal van vormen van illegaliteit. Je hebt de afgewezen asielzoeker die niet is weggegaan, maar je hebt ook de verliefde werknemer die langer in Nederland blijft om bij zijn geliefde te zijn, langer dan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd toelaat. Of je hebt de kleermaker die hier al tientallen jaren werkt en in Nederland kinderen heeft gekregen, zoals bijvoorbeeld de Amsterdamse kleermaker Gümüs; een zaak die de samenleving in 1997 enorm beroerde. Of je hebt de buitenlandse student die na zijn studie blijft hangen, of de in Nederland geboren jongere die tot zijn 18de jaar onderwijs geniet, maar daarna niet verder kan leren als gevolg van de Koppelingswet, die sociale voorzieningen koppelt aan de juiste documenten. De strafrechtelijke vervolging van al deze mensen zonder de juiste documenten, is wat mijn fractie betreft niet noodzakelijk, niet rechtmatig, niet uitvoerbaar, niet effectief en bovenal niet echt menselijk. Ik wil die argumenten een voor een langslopen. Uiteraard mag verblijf zonder de vereiste toestemming niet, maar dat kan op verschillende manieren worden hersteld, bijvoorbeeld door wel een vergunning te verlenen. Dat gebeurt ook met een zekere regelmaat. Waarom zou je die mensen een misdrijf moeten aanwrijven en zes maanden lang moeten kunnen opsluiten daar waar we bestuursrechtelijk uit de voeten kunnen? Dat vond de regering ook en daarom werd het amendement van de PVV ontraden.

Deze constatering raakt direct aan de noodzakelijkheid van de maatregel. Indien voor de beperkte groep waarop de minister zich beroept, reeds effectieve bestuursrechtelijke en ook strafrechtelijke instrumenten beschikbaar zijn, heeft de wetgever in onze ogen niet inzichtelijk gemaakt waarom een aanvullende en generieke strafbaarstelling noodzakelijk is. De wetgever heeft niet gemotiveerd welk concreet handhavingsprobleem met artikel 108a Vreemdelingenwet wordt opgelost, een probleem dat niet reeds binnen het bestaande juridische kader kan worden aangepakt. Daarom ontbreekt naar onze mening dragende onderbouwing voor de inzet van het strafrecht.

Het beslissende moment waarop alle bestuursrechtelijke maatregelen zijn uitgeput en strafrechtelijke handhaving zou mogen aanvangen, wordt niet in de tekst van de wet vastgelegd, want artikel 108a Vreemdelingenwet bevat geen bepaling die dit moment definieert of procedureel afbakent. Dat is een essentieel begrenzend criterium voor strafbaarheid en dat wordt dus niet meer door de wetgever zelf vastgesteld, maar overgelaten aan de uitvoeringspraktijk en aan rechterlijke interpretatie.

Daar komt bij dat de uitvoeringspraktijk zelf dit beslissende moment als feitelijk onbepaalbaar beschouwt. We hebben bijvoorbeeld berichten van de Dienst Terugkeer en Vertrek, de DTenV, die in de quickscan expliciet heeft aangegeven dat zolang een persoon niet is teruggekeerd en nog onrechtmatig in Nederland verblijft, het terugkeerproces in de praktijk niet ophoudt. Het terugkeerproces is eigenlijk pas afgerond wanneer terugkeer feitelijk heeft plaatsgevonden. En ook uitvoeringsorganisaties als de politie, de vreemdelingendienst AVIM, de Dienst Terugkeer en Vertrek, het Openbaar Ministerie en zelfs de Inspectie Justitie en Veiligheid van het ministerie van Justitie wijzen deze strafbaarstelling af.

Voorzitter. De veronderstelde begrenzing is daarmee niet enkel juridisch onvoldoende verankerd, maar ook praktisch onuitvoerbaar. De minister zegt een en andermaal dat er voorwaarden zullen worden verbonden aan vervolging van dit misdrijf in het kader van de Terugkeerverordening: men moet een terugkeerbesluit hebben, men moet terug kunnen keren, maar die terugkeer tegenwerken. Maar helaas staan die beperkende voorwaarden niet in de wettekst zelf en het beginsel "lex certa est" is niet nagekomen. Daar hebben we vragen over gesteld in de schriftelijke voorbereiding en de minister zegt dan: maar er komt vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie. Maar dat vervolgingsbeleid is nu nog niet bekend. Dus dat stelt ons niet gerust. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft expliciet aangegeven dat deze verwijzing naar toekomstig vervolgingsbeleid onvoldoende waarborgen biedt nu dit beleid niet vaststaat, niet bindend is voor de rechter en geen rechten schept voor betrokkenen.

Daarmee ontbreekt een wettelijk verankerde en voorzienbare afbakening van de strafbaarstelling. Dat zegt ook de Raad voor de rechtspraak. Van deze raad hebben we ook een brief gekregen waarin staat dat een nadere afbakening door de wetgever zelf had moeten worden geboden. Want een volgend College van procureurs-generaal of een volgende minister kan denken: weet je wat, ik gooi het roer om en we gaan ongedocumenteerden actief opsporen. Daarom hebben we juist verankering in de wettekst nodig. Die wettekst moet zo duidelijk mogelijk zijn en dat is ie niet. Om dit stukje af te ronden: we krijgen de Terugkeerverordening nog ter behandeling in deze Kamer en ook in de Tweede Kamer, en die gaat gepaard met een invoeringswet, een aanpassingswet om 'm in de Nederlandse wetgeving te incorporeren. Is het dan niet veel handiger, vraag ik aan de minister, om te wachten tot we de Terugkeerverordening hier bespreken om dan te kijken hoe we wellicht aanpassingen in die wettekst kunnen doen, zodat artikel 108a van de Vreemdelingenwet niet geldt? Ik vraag aan de minister of hij bereid is om, stel dat de wetten worden aangenomen, artikel 108a niet in werking te laten treden totdat wij in de Tweede en in de Eerste Kamer over de Terugkeerverordening hebben gesproken en die hebben goedgekeurd.

De heer Schalk i (SGP):

Een vraag aan de heer Dittrich: er is toch ook in de schriftelijke ronde en dergelijke al uitvoerig uitgelegd hoe dat vervolgingsbeleid vorm zal krijgen en dat het dus niet de bedoeling is dat er zomaar vervolging wordt ingesteld, maar dat vervolging alleen wordt toegepast op mensen die crimineel gedrag vertonen of overlast geven? Dan moeten we nu toch ongedocumenteerden niet bang maken door continu te blijven roepen: ja, maar in de toekomst kan dat toch anders gaan? Daarom moeten we het toch juist hier, in dit wetgevingsoverleg, zo helder mogelijk formuleren?

De heer Dittrich (D66):

Daar is het gezegde "lex certa est" heel belangrijk. Burgers in Nederland worden geacht de wet te kennen, maar ze moeten, als ze de wet lezen, wel weten wat er van hen wordt verwacht. We zien — ik geloof dat het mevrouw Karimi was die de wettekst hier heeft geciteerd — dat dit een heel generieke bepaling is, waar niet in staat welke beperkende voorwaarden er zijn. Ik ben het met u eens dat de minister onder andere ook op onze vragen antwoord heeft gegeven, maar zoals de Raad voor de rechtspraak zelf ook zegt: het is aan de wetgever om in de wettekst afbakeningen te geven die werkbaar zijn.

De heer Schalk (SGP):

Wat de heer Dittrich zegt, is absoluut begrijpelijk, maar datgene wat hier en in de schriftelijke rondes afgesproken is, verandert niet in de toekomst. Dan lijkt mij in ieder geval niet dat er gebeurt wat hij zojuist zei, namelijk dat een volgend kabinet of een andere minister het weer anders zou kunnen interpreteren. Ik zou het nog zomaar eens zijn met de heer Dittrich dat je tegen de minister zegt: u moet zorgen voor heel goede informatievoorziening. Maar om nu te blijven redeneren dat een ander kabinet op een andere manier met deze wetgeving omgaat ... Daarom voeren we toch juist dit debat?

De heer Dittrich (D66):

Ik heb het gevoel dat u het interruptiedebatje van voor de pauze een beetje overdoet. Daar is niets op tegen, overigens. Maar het gaat natuurlijk niet alleen over wat burgers in de wettekst kunnen lezen. Het gaat ook over uitvoeringsdiensten. Stel je voor dat de politie op basis van dit artikel mensen gaat oppakken, omdat er bij de politie in het politiekorps misschien ook mensen zijn die zeggen "we moeten tough zijn op ongedocumenteerden en we moeten die eens eventjes flink gaan aanpakken". Dan biedt de wettekst helemaal geen helderheid en we kunnen niet van de mensen in de samenleving verwachten dat zij de antwoorden nog eens gaan doornemen die zijn gegeven op schriftelijke vragen die in de Eerste Kamer in de tweede of derde ronde zijn gesteld. De wetsgeschiedenis is van belang voor rechters en voor de interpretatie, maar het is onze taak als medewetgevers om die afbakeningen zo helder mogelijk met elkaar vorm te geven.

De voorzitter:

Tot slot de heer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Toch heeft D66 via een regeringsverklaring aangegeven dat het, als deze wet wordt aangenomen, die wel zou gaan uitvoeren. Dan ga ik er toch van uit dat D66 de wet uitvoerbaar acht. Ik zou toch denken dat juist de politie niet als voorbeeld gebruikt moet worden, want …

De heer Dittrich (D66):

Politici of politie? Wat zei u? Sorry.

De heer Schalk (SGP):

U had het zojuist over de politie en dat die misschien ineens zomaar ongeclausuleerd zou gaan oppakken. Ik merk juist dat de politie heel goed beziet wat hier wordt afgesproken en ik kan me niet voorstellen dat die ineens zomaar een eigen route zou kiezen. Dan is er altijd nog het Openbaar Ministerie dat ook terug zal grijpen op de huidige wetgeving.

De heer Dittrich (D66):

Wat u nu zegt, verbaast mij hogelijk, want we hebben juist van de politie en het Openbaar Ministerie gehoord dat ze deze wetsvoorstellen niet zien zitten, onder andere omdat ze een afbakening missen. Dan gaat de heer Schalk zeggen dat de politie dat wel kan. Dat is echt niet wat ons gebleken is toen we de hoorzitting hier in de Eerste Kamer organiseerden.

De heer Van Hattem i (PVV):

De heer Dittrich van D66 heeft het over het rechtszekerheidsbeginsel, lex certa, en dat mensen moeten weten wat er in de wet staat, maar volgens mij is de wet heel duidelijk: als je hier niet mag verblijven, ben je hier illegaal of, zoals de heer Dittrich het misschien wil noemen, "ongedocumenteerd", maar het is illegaal. Je bent dan hier de wet aan het overtreden door in dit land te verblijven, terwijl je al meerdere malen te horen hebt gekregen dat je hier moet vertrekken. De wet is dus gewoon duidelijk. Als je dan vervolgens zegt "ik blijf hier toch" en je komt hier ook nog eens een keer een petitie aanbieden — de heer Dittrich gaat dan ook nog vrolijk met je op de foto — dan weet je toch dat je hier illegaal bent en dat je wet overtreedt? Dan is de wet toch gewoon duidelijk?

De heer Dittrich (D66):

Laat ik hier als eerste het volgende op antwoorden. Ik had graag gezien dat u als voorzitter van de commissie voor Immigratie & Asiel in de Eerste Kamer zelf naar buiten was gegaan en met mensen was gaan spreken die hier ongedocumenteerd zijn. Maar nee, we konden u nergens vinden en toen heeft u de ondervoorzitter de petitie laten aanvaarden. Dat dus ten eerste. Dat mensen dan graag op de foto willen … Nou, graag. Ik vind het beneden alle peil dat u dat naar voren brengt. Als voorzitter van die commissie had u ervoor moeten staan en moeten uitleggen waarom u zo voor deze wetgeving bent.

De heer Van Hattem (PVV):

Als voorzitter ben ik neutraal, dus ik ga dan ook niet met een groep illegalen op de foto. Als de voorzitter van de commissie voor Justitie en Veiligheid, de heer Dittrich, hier de volgende keer staat en er staat een groep relschoppers die de ruiten van het D66-kantoor heeft ingegooid — zij weten dat dat niet mag; het is ook wettelijk verboden om een pand moedwillig te vernielen — en die komt hier bij de Eerste Kamer een petitie aanbieden, gaat hij dan ook met die groep op de foto?

De heer Dittrich (D66):

Dit zijn van die als-danvragen waarop ik niet inga.

De voorzitter:

Terug naar het onderwerp, de wetten.

De heer Van Hattem (PVV):

Er zijn grenzen aan wat je doet en daar kun je ook afwegingen in maken. Een van die grenzen is toch wel het overtreden van de wet. Daarom was mijn vraag aan de heer Dittrich: als iemand ervoor kiest om willens en wetens de wetten van dit land te overtreden en te horen heeft gekregen, vaak meermaals, dit land te moeten verlaten maar hier toch blijft, dan is de wet toch gewoon duidelijk? Dan is de wet toch zo dat je het land moet verlaten? Dan is er toch geen rechtsonzekerheid? Dan ben je hier toch gewoon illegaal? Dan moet je toch gewoon vertrekken? Hoe duidelijk kan de wet zijn?

De heer Dittrich (D66):

Mijn betoog is er juist op gericht dat de wet helemaal niet duidelijk is. Daar heb ik net al een aantal voorbeelden van gegeven. De wet is totaal niet duidelijk. Daarom is de politie tegen. Daarom is het OM tegen. De AVIM is tegen. Justitie en Veiligheid is tegen. Alle uitvoeringsorganisaties — COA, IND en noem maar op — zijn tegen. Wij, hier in de Eerste Kamer, moeten als medewetgever bekijken: is een wet uitvoerbaar, is die helder genoeg en kan die in praktijk goed toegepast worden? Wij krijgen alleen maar adviezen waaruit blijkt dat dit niet zo is. Ik ontkracht uw stelling dat de wet duidelijk is. Dat is die juist niet.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Als iemand hier meermaals te horen heeft gekregen, juist van die uitvoeringsorganisaties, dat hij hier niet meer mag verblijven en dat zijn verblijf in dit land illegaal is, is het toch duidelijk dat hij moet vertrekken? Wij maken hier de wetten, niet de politie, niet de IND en niet de uitvoeringsorganisaties. Maar als een uitvoeringsorganisatie iemand laat weten dat die in dit land niet-legaal is, dan is het toch duidelijk dat iemand moet vertrekken? Wat is daar dan onduidelijk aan?

De heer Dittrich (D66):

Ik ben midden in mijn betoog om duidelijk te maken waarom deze wet niet deugt en waarom die wat D66 betreft niet aanvaard moet worden.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik ben heel blij met de interpellatie van de heer Van Hattem, want die geeft in zijn betoog aan waar de heer Dittrich gelijk in heeft. Als je van de overheid een beschikking hebt gekregen dat je moet opdonderen of je hebt te horen gekregen dat je ongewenst verklaard bent of er is een andere beschikking waar een verplichting uit voortvloeit dat je het land moet verlaten, waarbij die verplichting dan al drie keer is opgelegd, dan is er duidelijk een verplichting die je moet nakomen. Maar als ik het goed begrijp, zegt u: als ik lees wat er in die wet staat, staat er niet dat er een verplichting is opgelegd om het land te verlaten, maar iets vaags over dat de betrokkene zelf moet vermoeden dat hij onrechtmatig verblijft. Zie ik dat goed?

Mijn tweede vraag. De voorbeelden die u noemde, komen er toch eigenlijk op neer dat de bakker of een ander van wie de termijn om te verblijven verstreken is, al een dag daarna onrechtmatig verblijft? Als hij zegt "ja, maar ik ga een vergunning aanvragen" of "ik ga praten met mijn werkgever of we kunnen regelen dat ik langer kan blijven", kan diegene in de ogen van deze wet en in de ogen van de PVV op dat moment al worden opgepakt. Is dat nou precies wat u bedoelt?

De voorzitter:

Meneer Nicolaï, u had het net over een interpellatie, maar het was een interruptie, zeg ik even voor de helderheid.

De heer Dittrich (D66):

Ik vind dat de heer Nicolaï wel gelijk heeft in zijn analyse, want die wettekst is volstrekt niet helder. Wanneer je één dag nadat je arbeidscontract voor bepaalde tijd is afgelopen nog in Nederland bent, ben je hier volgens de tekst van de wet en volgens de toelichting van het amendement waardoor die tekst in de wettekst terecht is gekomen, ongedocumenteerd, pleeg je een misdrijf en kan je maximaal zes maanden gevangenisstraf krijgen. Zo zit de wettekst nu in elkaar.

De heer Nicolaï (PvdD):

Zie ik het dan ook goed dat dit, als het gaat om iemand die ongewenst verklaard is of die een inreisverbod gekregen heeft, op dit moment gewoon al strafbaar is?

De heer Dittrich (D66):

Ja, dat hebt u goed gezien. Dat klopt. Dat hebben we natuurlijk uit-en-te-na met de minister in de schriftelijke voorbereiding besproken. Daar zijn al artikelen voor. Onder bepaalde omstandigheden ben je al strafbaar. Neem het geval dat je strafbare feiten pleegt, een gevangenisstraf hebt gehad en ongewenst wordt verklaard; dan moet je het land uit. Als je dat niet doet, ben je strafbaar. Dat hebben we al. Dus daarvoor is deze wettekst helemaal niet nodig.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Maar ik kan me toch voorstellen — die vraag wil ik dan nog tot slot stellen — dat wij wel kunnen leven met een wetsbepaling waarin staat dat je strafbaar bent wanneer de overheid jou bevoegdelijk een bevel heeft gegeven om het land te verlaten.

De heer Dittrich (D66):

Ja, maar dat staat dus niet in de wettekst die wij hier bespreken. Wij hebben geen recht van amendement, dus we moeten het doen met het PVV-amendement dat op een achterna-avond in de wettekst terecht is gekomen. Vervolgens is er een novelle gekomen waarin een deel daarvan eruit werd gehaald, maar een deel ook niet. Wij hebben grote bezwaren — dat mag inmiddels wel duidelijk zijn — tegen dat gronddelict, dat nog steeds in de wettekst staat.

De heer Lievense i (BBB):

Ik zal mijn mening achterwege laten, maar ik heb even een technische vraag. Wij hebben zoveel technische briefings gehad en stukken gehad. Mijn fractie heeft het zo begrepen — er is nog meer dan alleen deze wetgeving; we hebben ook gewoon EU-regels — dat het altijd terugkeer vóór straf is.

De heer Dittrich (D66):

Sorry? Terugkeer …

De heer Lievense (BBB):

Terugkeer vóór straf. Dus eerst, ook met deze wet, ga je het hele proces in voor terugkeer op een ordentelijke wijze, is ons daar bij die technische briefing verteld. Pas als je daar niet aan meewerkt, komt straf aan de orde. Ik hoor u deze wettekst nu heel eng uitleggen. Daar heeft u een reden voor. Maar hoe ziet u dat dan in het licht van de technische briefing, waar duidelijk is uitgelegd dat zoals u het nu uitlegt, sowieso op basis van EU-regels niet kan?

De heer Dittrich (D66):

Hoe zal ik dit nou eens vertellen? Je hebt mensen die Nederland niet willen verlaten. Dan is het de vraag of ze dat tegenwerken of niet, maar dat is een ander verhaal. Maar mensen willen het land niet uit. Op een gegeven moment kan je volgens de wettekst strafbaar worden gesteld. Dan word je in de gevangenis opgesloten, als er überhaupt al plaats is. We weten namelijk ook dat er een plaatsgebrek is en dat zelfs de diensten zeggen dat ze deze mensen niet willen opsluiten omdat andere mensen die van de rechter een straf hebben gekregen eerder in de gevangenis zouden moeten zitten, maar dat even daargelaten. Als je een strafbaar feit pleegt en je wordt opgesloten, kom je daarna vrij. Dat wordt de "carrouselvreemdeling" genoemd. Die is dan namelijk nog steeds in Nederland. We hopen dan natuurlijk dat iemand terug wil keren naar het land van herkomst, maar als dat niet gebeurt, kan je bij het verlaten van de gevangenispoort opnieuw aangewreven worden dat je je niet houdt aan de wettekst. Dan kan je opnieuw strafbaar worden gesteld. In mijn optiek zou het op een gegeven moment misbruik van procesrecht door de overheid betekenen als iemand keer op keer op keer gevangengezet wordt omdat diegene het land niet uitgaat.

De heer Lievense (BBB):

Volgens mij was dat geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag was de volgende. U legt deze wettekst uit. Dat kan ik volgen. Ik ga het nog één keer proberen. In de technische briefing, waar ook gewoon de vragen leven die we met elkaar hebben gesteld, is duidelijk het volgende aangegeven. Hoe je het ook wendt of keert en wat er ook staat: het is binnen Europese regels altijd zo dat terugkeer vóór straf gaat. Even los van de vraag of gevangenissen wel of niet vol zitten — het is echt een technische vraag en ik probeer u te volgen — ga je als je uitgeprocedeerd bent eerst in de terugkeercyclus. Pas als je daarin nergens meer aan meewerkt, kom je bij strafbaarstelling en pas dan kun je daarvoor opgepakt worden. Zo heb ik het begrepen in alle stukken en technische briefings.

De heer Dittrich (D66):

Dat is wat ik eerder al naar voren heb gebracht. Dat zegt de minister ook in antwoord op vragen van dezen en genen uit de Kamer, ook van D66. Natuurlijk probeer je vrijwillige terugkeer mogelijk te maken. Je probeert daar een zetje aan te geven en je probeert het sterker te maken. Op een gegeven moment lukt het niet meer. Ik heb naar voren gebracht dat dat niet in de wettekst zelf staat. Meneer Schalk heeft mij geïnterrumpeerd en gezegd dat dat deel uitmaakt van de wetsgeschiedenis. Dat kunnen wij begrijpen. Mijn stelling is dat het in de wettekst moet. Dat is niet alleen mijn stelling, maar ook die van de Raad voor de rechtspraak en andere organisaties.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Lievense.

De heer Lievense (BBB):

Dan zijn we er nu uit. Mijn stelling daarbovenop is dan: er is meer dan alleen deze wetstekst. We komen daar later nog wel op terug.

De heer Dittrich (D66):

Ik ben heel benieuwd hoe u dat dan gaat doen.

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Ik wil toch even reageren op wat collega Nicolaï heeft gezegd. Hij doet namelijk niet mee aan het debat. Of doet hij wel mee aan het debat? Ik twijfel even.

De voorzitter:

De woordvoering in de eerste termijn werd gedaan door mevrouw Perin van Volt, maar de heer Nicolaï kan wel interrupties plegen.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik hecht eraan om toch even het volgende aan te geven. Net werd gesteld dat als iemand werkt, diegene een dag na het verloop van zijn verblijfstitel direct strafbaar is vanwege illegaliteit. Dat is niet zo. Voordat je aan strafbaarstelling toekomt, moeten eerst de bestuurlijke maatregelen allemaal zijn doorlopen. Wat er gezegd wordt, is dus gewoon niet waar. Voor de Handelingen wil ik dat toch graag op laten nemen. Collega Dittrich gaf aan dat hij het correct acht, maar dat acht ik dus niet zo.

De heer Dittrich (D66):

Ik zie dat hier een verschil van inzicht is. Ik stel voor dat de minister daar in zijn beantwoording helderheid over gaat verschaffen.

Voorzitter, ik ga mijn betoog vervolgen. Ik heb het al over het cellentekort en dergelijke gehad. Maatschappelijke organisaties geven echt aan dat er een chilling effect kan ontstaan of zal ontstaan doordat — het is door vorige sprekers ook al gezegd, dus ik zal het kort houden — ongedocumenteerden niet naar de dokter of het ziekenhuis durven te gaan, of geen aangifte durven te doen als ze slachtoffer zijn van een misdrijf, want je weet maar nooit. Kinderen op school zijn bang dat hun ouders opgepakt kunnen worden als die de school bezoeken terwijl ze ongedocumenteerd zijn. Daar hebben we allerlei vragen over gesteld. Daarover heeft de minister gezegd: nou, dan gaan we extra voorlichting geven. Dat siert de minister, maar ik denk dat de praktijk van alledag anders is en dat mensen die bang zijn en die toch al een beetje in de verdomhoek zitten, niet door overheidsvoorlichting bereikt zullen worden en daardoor dus ook niet gerustgesteld zullen kunnen worden. Kortom, illegaliteit strafbaar stellen klinkt stevig, alsof je daardoor meer grip op migratie krijgt, maar de minister heeft zelf ook al aangegeven dat daar geen bewijs voor is. Kijk maar naar andere landen, bijvoorbeeld België en Duitsland, waar illegaliteit wel een misdrijf is. In die landen zijn hele discussies gaande, omdat het leidt tot polarisatie en niet tot minder migratie. Dus nogmaals, wat D66 betreft is strafbaarstelling van illegaliteit niet noodzakelijk, niet rechtmatig, niet uitvoerbaar, niet effectief en niet rechtvaardig. Om al deze redenen zijn wij tegen de strafbaarstelling van illegaliteit.

Daarover heb ik wel een vraag aan de minister. Is de minister bereid om bij de inwerkingtreding van de Asielnoodmaatregelenwet, als die wordt aangenomen natuurlijk, het artikel 108a Vreemdelingenwet niet in werking te laten treden? Zou hij willen toezeggen dat dit onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet niet van kracht zal worden? Zou hij bijvoorbeeld allereerst een nieuw wetsvoorstel willen indienen, dat 108a Vreemdelingenwet formeel schrapt, zodat er in de toekomst geen onduidelijkheid over kan bestaan? Ten tweede. Als de wet wordt aangenomen, is de minister dan bereid om het artikel niet in werking te laten treden totdat we hier besluitvorming hebben gehad over de wetgeving rond de Terugkeerverordening, zodat duidelijk blijft dat illegaal verblijf niet strafbaar is?

De heer Lievense (BBB):

Ik heb een korte vraag. Mijn fractie begrijpt dat de strafbaarstelling voor D66 een brug te ver is; daarover mag je van mening verschillen. Ik hoor u nu een vraag stellen aan de minister. Ik denk daaruit te kunnen opmaken dat als de minister dit toe zou zeggen, D66 instemt met de wetgeving. Dan krijgen we deze discussie weer bij de Terugkeerverordening. Dat heeft de heer Dittrich volgens mij ook aangegeven: dan gaan we het er op dat moment verder met elkaar over hebben. Begrijp ik goed dat D66 instemt met de wetgeving als de minister dit toezegt?

De heer Dittrich (D66):

Het is jammer dat u die vraag nu stelt, want ik ga nu beginnen met allerlei andere bezwaren tegen alle drie de wetsvoorstellen.

De heer Van Hattem (PVV):

D66 had al aangegeven tegen de wetsvoorstellen te zullen gaan stemmen, dus dat de heer Dittrich nu met bezwaren komt, is best voor de hand liggend. Alleen is het natuurlijk wel gek. We zitten met een regeringscoalitie waarin D66 de grootste partij is en waarin belangrijke afspraken zijn gemaakt over migratie, en D66 stemt dus gewoon tegen een van de belangrijkste onderliggende wetten in deze regeringscoalitie. CDA en VVD laten dit als coalitiepartners gebeuren. Mijn vraag aan de heer Dittrich van D66 is dus: is dit niet gewoon regeren à la carte? En nu vraagt u ook nog eens om uitstel van een artikel om de strafbaarstelling van illegaliteit uit de weg te ruimen. Wat blijft er nou nog over van een stevig migratiebeleid met een D66 dat op deze manier de zaak aan het uitspelen is?

De heer Dittrich (D66):

Ik vind dat de heer Van Hattem zo krampachtig doet over coalitiepartners die elkaar ruimte geven om vanuit hun eigen maatschappijvisie gevolg te geven aan een van de belangrijkste debatten in dit huis. Niet zo krampachtig doen. Wij hebben een bepaalde maatschappijvisie, het CDA heeft een bepaalde maatschappijvisie en de VVD heeft een bepaalde maatschappijvisie. Wij zijn coalitiepartners, maar dat betekent niet dat je zomaar je eigenheid overboord zou moeten gooien. Het is mijn taak als Eerste Kamerlid om wetgeving te beoordelen. Is die zorgvuldig, rechtmatig, uitvoerbaar en handhaafbaar? Is die in strijd met Europese verdragen? Daar kom ik straks nog op. Ik wil mijn taak als Eerste Kamerlid serieus nemen. Als ik vind dat zo'n wet de toets der kritiek niet kan doorstaan, wil ik de vrijheid hebben — die neem ik ook gewoon — om dat luid en duidelijk naar voren te brengen.

De heer Van Hattem (PVV):

Die vrijheid heeft de heer Dittrich zeker, maar dan is het wel de vraag of jullie überhaupt een coalitie hebben. Want dit lijkt toch nergens op? Een coalitie, een zogenaamde "coalitie", die gewoon zegt dat je tegen een van de belangrijkste wetten kan stemmen, tegen de belangrijkste maatregelen die er liggen om asielmigratie naar dit land te beperken ... En een coalitie die ondertussen roept "we willen grip op migratie krijgen", met de grootste coalitiepartij die daar vervolgens tegen stemt. Er wordt dan wel gezegd dat ze het wel gaan uitvoeren als het wordt aangenomen, maar wat is dit voor nepcoalitie? Kan de heer Dittrich uitleggen wat dit nog voor coalitie is als er gewoon maar à la carte maatregelen kunnen worden weggestemd of niet?

De voorzitter:

Ik vind dat "à la carte" netter dan die "nepcoalitie". De heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Ik wil inderdaad afstand nemen van die woorden, van "nepcoalitie" en weet ik veel wat de heer Van Hattem allemaal naar voren heeft gebracht. Het gaat erom dat wij ons werk serieus willen doen en dat betekent dat je soms andere afwegingen maakt. Er staat in het coalitieakkoord van deze drie partijen: indien de asielwetten worden aangenomen, zullen ze onverkort worden uitgevoerd. Dat is precies de fase waarin we hier nu zijn. We zijn bezig om met elkaar te discussiëren. Als de wetten worden aangenomen, tja, dan krijgen ze kracht van wet en zou het wel heel raar zijn als de regering zou zeggen: ondanks dat het parlement ja heeft gezegd, doen wij het niet. Zo zit de democratie niet in elkaar; dat zou u moeten weten. Maar we zijn nu in de fase dat we proberen om met kracht van argumenten elkaar te overtuigen. Misschien blijkt volgende week bij de hoofdelijke stemming wel dat de meerderheid van de Kamer zegt: die wetten zijn kwalitatief onvoldoende, dus die stemmen we af. Dan kan deze minister heel snel met nieuwe wetsvoorstellen komen om — laten we zeggen — de schade die het PVV-amendement heeft aangericht, ongedaan te maken.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Dat is geen schade, maar een verrijking van de wet, want het is iets wat keihard nodig is om illegaliteit in dit land aan te pakken en te zorgen dat degenen die hier niet moeten zijn — en dan hebben we het over tienduizenden mensen — dit land eens een keer gaan verlaten; dat we eens een keer gaan inzetten op remigratie in plaats van hier alleen maar meer mensen binnen te laten. En dan vraag ik dit nog aan de heer Dittrich. Hij zegt "je weet hoe een democratie werkt", maar een democratie werkt ook nog eens zo dat als een partij als D66 het ten principale niet eens is met bepaalde wetgeving en die toch wordt aangenomen, ze ook kan zeggen dat ze geen deel meer wil uitmaken van een kabinet dat zulk soort wetten moet gaan uitvoeren, sterker nog, wil gaan uitvoeren. Dus: waarin zit dan het verschil tussen hiertegen stemmen en het vervolgens wel gaan uitvoeren als het wordt aangenomen? Waar zijn dan de principes van D66? Is dat dan niet gewoon pure hypocrisie?

De heer Dittrich (D66):

Wij zijn geen weglopers, zoals de PVV in het vorige kabinet. Wij nemen onze verantwoordelijkheid. Maar in deze Kamer nemen wij ook onze verantwoordelijkheid door te kijken of wetten goed in elkaar zitten, of ze zorgvuldig zijn, handhaafbaar, uitvoerbaar, niet in strijd met Europese regels. In die fase van de bespreking zijn we nu. Ik geef met kracht van argumenten aan waarom wij onze opvatting hebben. Anderen hebben hun opvatting. Uiteindelijk wordt er gestemd en gaan we zien hoe het loopt.

Voorzitter. Ik zou graag door willen gaan met mijn verhaal. Dat gaat over een ander heikel punt in deze wetsvoorstellen: de keuze om nareis bij subsidiair beschermde vreemdelingen te beperken. We kunnen er niet omheen: er komen veel asielzoekers naar Nederland, en er zijn ook veel nareismogelijkheden. Dus op zichzelf vindt D66 het logisch dat er wordt gekeken naar hoe we daar beperkingen kunnen aanbrengen. We weten dat dat ook in andere landen is gebeurd; dat heeft de minister ons zelf gezegd in de schriftelijke beantwoording. Het kabinet zegt: wij kiezen ervoor om ons te houden aan de minimale variant van het Asiel- en Migratiepact. Dus alleen mensen die tot het kerngezin behoren, bijvoorbeeld getrouwd zijn met de oorspronkelijke asielzoeker, krijgen nog het recht op nareis. De vraag is dan natuurlijk: is dat wel een faire keuze? Mevrouw Huizinga van de ChristenUnie bracht dat ook naar voren en ik was het heel erg met haar eens. Er zijn namelijk mensen in landen van herkomst die niet kunnen trouwen met de asielzoeker. Denk bijvoorbeeld aan christenen in Nigeria die geen gemengd huwelijk mogen aangaan met iemand van het islamitische geloof. Ik heb die mensen hier op straat zelf gesproken. Denk ook aan homo's en lesbiennes die niet mogen trouwen in hun land van herkomst. De inperking waar het kabinet voor gekozen heeft, leidt in onze ogen indirect tot discriminatie op basis van seksuele geaardheid dan wel religie en dat is volgens artikel 1 van de Grondwet niet toegestaan.

Nederland had de beperkingen op nareis voor deze groep kunnen opheffen en hen met het kerngezin gelijk kunnen trekken, maar nu moeten deze mensen een beroep gaan doen op artikel 8 van het mensenrechtenverdrag, het recht op familieleven, om hetzelfde nareisrecht te krijgen. Voor hen is dat omslachtig. In dat verband wordt dan telkens gezegd: "Er vindt dan een belangenafweging plaats. Individuele feiten en omstandigheden staan centraal, maar de afweging ziet ook op het belang van de Nederlandse Staat en het belang van gezinshereniging daartegenover." Maar de omstandigheid dat een vreemdeling een ongehuwde partner is, wordt weliswaar in die afweging betrokken maar wij denken dat het beter is om wat dat betreft nog een versoepeling aan te brengen. Daarom zou ik de minister willen voorstellen om de IND een werkinstructie te geven om deze groepen, die dus niet in hun land van herkomst mogen trouwen, tegemoet te komen en hen een lastige rechtsgang te besparen door de IND ambtshalve een toets te laten doen en vervolgens positief te beslissen, zodat zij daarvoor in aanmerking kunnen komen. Ik krijg graag een toezegging van de minister op dit punt. Ik kan vast melden dat ik een motie hierover heb voorbereid om in te dienen, afhankelijk van het antwoord van de minister.

Bij de nareisbeperkingen valt trouwens nog iets op — daar heeft mevrouw Karimi het ook al over gehad — bij de subsidiair beschermden, want mensen moeten cumulatief voldoen aan bijvoorbeeld een huisvestingseis en een inkomenseis, terwijl we al weten dat er een gigantisch tekort aan woningen is. Doorstroomwoningen komen ook niet voldoende van de grond. Ongeveer een derde van de mensen die in COA-woningen, asielopvang, zitten, is statushouder, dus dit huisvestingsvereiste betekent de facto dat nareizigers van subsidiair beschermden eigenlijk niet naar Nederland kunnen komen ten tijde van zo'n woningtekort. De vraag aan de minister is dus: zien wij dat goed en wat is daarop de reflectie van de minister? Mevrouw Huizinga stelde deze vraag daarbij geloof ik ook al, maar stel dat zo'n nareiziger denkt: "Maar die eisen vind ik zo streng. Weet je wat? Ik ga gewoon zelf asiel aanvragen en dat doe ik dan helemaal niet via de nareisroute." Wordt het systeem dat in dit wetsvoorstel wordt opgetuigd daarmee dan niet weer ondergraven? Graag een reactie van de minister.

Dan de ingevoerde wachttijd van twee jaar. De allereerste vraag is natuurlijk: gaat die wachttijd nou gelden vanaf de datum van de asielaanvraag van de oorspronkelijke asielzoeker? Dat wordt door professor Lawson van het College voor de Rechten van de Mens bepleit. Of gaat die wachttermijn van twee jaar in op het moment van de statusverlening? Want als dat laatste het geval is, dan wacht men de facto twee, drie, vier jaar voordat de nareiziger zich bij de oorspronkelijke asielzoeker kan voegen en daarvan heeft de Commissie Meijers gezegd dat dat de toets van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens niet zal gaan halen. Graag een reactie van de minister daarop.

Dit betekent overigens ook dat ouders en alleenstaande kinderen die een subsidiaire status krijgen, ook twee jaar moeten wachten voor ze om gezinshereniging kunnen vragen, terwijl artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind voorschrijft dat kinderen zo spoedig mogelijk met hun ouders herenigd moeten worden. Kortom, wat een menselijke drama's spelen hier achter al deze bepalingen. Je zal maar zo lang van je geliefde of van je ouders gescheiden zijn. Is dit niet vragen om mentale problemen en om andere problemen, waar uiteindelijk de Nederlandse samenleving ook weer bij betrokken zal raken? Graag een reflectie daarop van de minister. Nog één zin. De rechtszaak van België is al eerder aangehaald door voorgaande sprekers. Daar sluit ik me graag bij aan. We zouden even moeten wachten met deze bepalingen totdat we horen wat het Hof van Justitie daarover tegen België te melden heeft.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

De heer Dittrich begon zijn betoog met het verhaal dat het belangrijk is dat de instroom in Nederland naar beneden gaat. Vervolgens gaat zijn betoog toch vooral weer over het versoepelen van regels en het maken van uitzonderingen op regels. Van welke maatregelen vindt D66 wel dat die van kracht kunnen zijn om de instroom te beperken, aangezien dat is wat we met z'n allen willen?

De heer Dittrich (D66):

Dat wilde ik zeker gaan bespreken, want wij willen ook grip op migratie, via wetgeving die goed in elkaar zit. Nogmaals, wij vinden niet dat dat voor deze wetgeving geldt, maar we hebben wel degelijk allerlei voorstellen. Een aantal daarvan zal ik hier gaan bespreken.

Mevrouw de voorzitter, gelet op de tijd ga ik verder. Over het tweestatusstelsel moet ik toch echt het volgende zeggen. In het jaar 2000 hadden wij een tweestatusstelsel. Allerlei mensen met de B-status gingen procederen om de A-status te krijgen. Dat liep helemaal vast. Toen hebben we in Paars gezegd: "Weet je wat? We moeten daarvan af. We trekken dat gelijk, zodat niemand meer een belang heeft om van de ene naar de andere status te procederen." Daardoor heeft de IND een enorme inhaalslag kunnen maken. Allerlei zaken die lang liepen, werden opgelost. En nu gaan we weer een tweestatusstelsel invoeren met verschillende rechtsgevolgen. Je kan natuurlijk een tweestatusstelsel hebben — daar is op zich weinig op tegen — maar als je de verschillen in de rechtsgevolgen te groot maakt, dan lok je toch weer procedures uit. Dat is niet alleen onze visie, maar ook die van de IND en die van de rechters. Die zeggen: niet doen, want dit krijgt enorme gevolgen in de hele asielketen; de vertragingen worden groter en mensen blijven dan langer in de opvang. Het COA zegt dan weer: als mensen langer in de opvang blijven, hebben we weer een grote opvangcrisis.

De heer Van Hattem (PVV):

Het doel is uiteindelijk om de instroom te verminderen. We zien nu dat de andere Europese landen Nederland in de afgelopen 25 jaar allemaal hebben ingehaald. Nederland is het enige land dat geen tweestatusstelsel heeft. Dan is mijn vraag aan de heer Dittrich dus: waarom zouden wij hier de enige uitzondering willen zijn? Daardoor zijn we extra aanlokkelijk voor asielzoekers om naartoe te komen, waardoor de instroom juist groter wordt en de druk op de keten juist in stand blijft.

De heer Dittrich (D66):

Dat vind ik een goede vraag. Je kan inderdaad een tweestatusstelsel in het asielrecht hebben, maar dan moet je op een slimme manier kijken naar de voorwaarden die je daaraan verbindt. Als je de voorwaarden tussen de B-status en de A-status te groot maakt, lok je uit dat mensen en masse gaan procederen om die A-status te krijgen. Ik vind het heel logisch dat die mensen dat willen, maar daardoor krijgen we weer allerlei andere problemen. Daarom hebben we in het jaar 2000, met overgrote steun van partijen die hier ook vertegenwoordigd zijn, gedacht: we willen daarvan af; we trekken dat gelijk en dan hebben we veel minder procedures. Nu gaan we dat weer invoeren, dus het lijkt erop dat we niet geleerd hebben van het verleden.

De heer Van Hattem (PVV):

Het punt is nou juist dat er in het wetsvoorstel vier verschillende scenario's zijn uitgewerkt voor die verschillen, dus daar is al rekening mee gehouden. Maar we leven nu niet meer in het jaar 2000. We zijn dik 25 jaar verder en andere Europese landen hebben ons ingehaald. Sterker nog, het Asiel- en Migratiepact gaat straks volgens mij standaard uit van het tweestatusstelsel. Aangezien die andere Europese landen ons hebben ingehaald, is het dus niet meer relevant om te redeneren vanuit de gedachte dat er 25 jaar geleden meer doorgeprocedeerd werd. Nu moeten we toch juist gaan kijken hoe wij ons verhouden tot het hele Europese asielsysteem?

De heer Dittrich (D66):

Ik vind het wel grappig om de heer Van Hattem hier af en toe te zien staan als een soort Europeaan. Hij verwijst naar andere landen, zegt dat we ons daarbij aan moeten sluiten en dat we nu de enige uitzondering zijn. Mijn stelling is dat je moet kijken naar de rechtsgevolgen die je aan beide statussen verbindt en dat je daar op een slimme manier mee om moet gaan. Mijn standpunt is dat we dat in dit wetsvoorstel niet op een slimme manier hebben gedaan en dat het anders zou moeten zijn.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik kijk inderdaad specifiek naar de Europese context, want ik wil niet dat Nederland het afvoerputje van Europa is op het gebied van asiel en migratie. Dan is het dus juist belangrijk om te kijken wat er in de ons omringende landen gebeurt. We hebben niet voor niks gezegd dat we het strengste asiel- en migratiebeleid van Europa willen hebben, dus dan is het ook juist van belang dat je daarin vooroploopt. Het punt is nu het volgende. Als straks het Asiel- en Migratiepact er komt, wordt het tweestatusstelsel de standaard. Dan vraag ik dus aan de heer Dittrich waarom hij hier dan nu nog zo'n punt van maakt.

De heer Dittrich (D66):

Ik denk dat ik een misverstand uit de wereld moet helpen. Europa zegt niet dat je per se een tweestatusstelsel moet invoeren en dat het er zo en zo uit moet zien. Europa zegt dat er een tweestatusstelsel moet zijn en dat je zelf een zekere vrijheid hebt in hoe je dat inricht. Ik pleit er juist voor dat we dat op een slimme manier doen en niet op de manier zoals het nu is vormgegeven.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Dittrich (D66):

Mevrouw de voorzitter, ik sla een deel van mijn tekst over. Ik wil wel zeggen dat ik denk dat het ook een verkeerde gang van zaken is om verblijfsvergunningen nog maar voor drie jaar te geven aan asielzoekers, omdat mensen dan niet meer actief participeren in de Nederlandse samenleving. Dat kan zijn omdat ze bijvoorbeeld door de werkgever niet meer aantrekkelijk worden gevonden omdat ze na drie jaar misschien ontslagen worden of het land uit moeten. Er zijn dus allerlei redenen om dat niet te willen doen.

Ik constateer — dat is mijn volgende punt — dat in deze Vreemdelingenwet geen hardheidsclausule is ingebouwd, bijvoorbeeld als het gaat over subsidiair beschermden. Die moeten dus cumulatief aan al die vereisten voldoen. Het rare is dat wij ook in deze zaal — het was, denk ik, een jaar of drie geleden — met z'n allen zeiden: hardheidsclausules zijn zo belangrijk! We hadden de nasleep van het toeslagenschandaal en toen zeiden we met z'n allen: "We moeten hardvochtige wetgeving voorkomen. We moeten een hardheidsclausule hebben en ambtenaren moeten daarmee uit de voeten kunnen." Dan is het toch heel vreemd dat als het over vreemdelingen en de Vreemdelingenwet gaat, er opeens helemaal geen hardheidsclausule is. Komt dat nu doordat het over vreemdelingen gaat, vraag ik aan de minister. Dat zou heel raar zijn, want artikel 1 van onze Grondwet zegt dat iedereen die zich in Nederland bevindt, ongeacht onder andere de nationaliteit, op een gelijke manier moet worden behandeld. Je zou dus denken dat er ook in de Vreemdelingenwet een hardheidsclausule zou moeten.

Dan kom ik meteen bij de afschaffing van de voornemenprocedure. Indertijd kon je in bezwaar gaan en daarna in beroep. Toen hebben we in 2000 de bezwaarfase afgeschaald. Toen zeiden we dat we om de rechtsbescherming vorm te geven wel een voornemenprocedure moesten invoeren zodat een vreemdeling of zijn advocaat zou kunnen zeggen: dat voornemen van de IND deugt om deze en deze reden niet. Dat zou dan de kwaliteit van de besluitvorming ten goede komen. Nu schaffen we de voornemenprocedure af. De rechtsbescherming wordt dus steeds minder. Daarom zeggen de rechters tegen ons: "Doe dat nou niet, want je krijgt een waterbedeffect. Alles gaat nu op het bordje van de rechter komen. Er komen veel meer procedures die kwalitatief niet goed zijn. Doe dat dus niet." De vraag aan de minister is dus of hij daarop wil reflecteren.

Dan iets over het overgangsrecht en over het gegeven dat dat voor rechtsonzekerheid en ongelijkheid zorgt. Daar hebben andere sprekers het al over gehad en daar sluit ik me bij aan.

Dan wil ik nog het volgende naar voren brengen. De minister beschikt nog steeds over de discretionaire bevoegdheid, want de minister van Asiel en Migratie heeft nog de bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen op humanitaire gronden. Dat betekent dat hij nog altijd in schrijnende gevallen een verblijfsvergunning mag verlenen. Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 27 augustus 2025 geoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft ook gezegd dat je de discretionaire bevoegdheid die in de wettekst staat, niet via een besluit mag afschalen. Daar heb je een wettelijke maatregel voor nodig, want een hogere maatregel mag niet door een lagere maatregel worden afgeschaft. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zegt: minister, u moet gemotiveerd gebruikmaken van die discretionaire bevoegdheid. Dus is mijn vraag aan de minister: is hij bereid weer een concrete en redelijke invulling te geven aan de discretionaire bevoegdheid? Dat lijkt mij belangrijk omdat de rechtsbescherming met het afschalen van de voornemenprocedure in het gedrang komt. Ik kan me zo voorstellen dat dat tot allerlei onrechtvaardige beslissingen zou kunnen leiden. De vraag aan de minister is: hoe gaat hij de uitspraak van de Raad van State honoreren? Op dit punt heb ik, als dat noodzakelijk is, een motie voorbereid.

Mevrouw de voorzitter. Ik sla een heleboel over, ook over de samenloop met het Migratiepact, dat op 12 juni 2026 in werking treedt. Deze wetgeving treedt dan hooguit een paar weken van tevoren in werking. Daar hebben anderen ook al over gesproken. Ik sluit me bij hun vragen aan. Het is wel zo dat de wetgeving gefaseerd in werking kan treden. Dat kan ook per artikel. De minister hoeft niet alles in één keer in te voeren.

Dan wil ik eindigen waar ik mee begon, met het mensenwerk. We hebben net een petitie mogen aanvaarden. Heel veel Kamerleden waren daarbij aanwezig. Heel veel mensen vertelden hun verhaal. Ik heb vorige week nog ouders gesproken die ongedocumenteerd in Nederland wonen met drie kinderen, waarvan twee in Nederland zijn geboren, en een meisje van 2 jaar dat inmiddels 16 is en in de vierde klas van het gymnasium zit. Zij is bang om op schoolreisje mee te gaan met de andere kinderen en de ouders durven niet naar school te komen omdat ze bang zijn dat ze opgepakt worden. De angst waarover het eigenlijk ook in dit debat zou moeten gaan, is dus wel degelijk aanwezig bij mensen die ongedocumenteerd zijn.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft nog een interruptie van de heer Lievense.

De heer Lievense (BBB):

Ja, een vraagje. Ik begrijp dat de heer Dittrich een aantal stukken heeft overgeslagen. Dat zal omwille van de tijd zijn. Maar ik hoorde wel het onderwerp waar het over ging. Ik wil daar nog een vraag over stellen. Het gaat over de samenloop met het Migratiepact. Kan de heer Dittrich nog toelichten hoe hij daarover denkt? Ook mijn fractie had in de technische briefing die vraag: waarom gaan we deze wetten nu nog doen als we straks in juni het Migratiepact krijgen? Die vraag is daar gesteld en wij kregen heel duidelijk als antwoord: er zit zoveel overlap, behandel ze nu maar zo snel mogelijk, want dan hebben wij, maar ook de uitvoeringsinstanties duidelijkheid. Zo heb ik het begrepen op dat moment. Misschien heeft de heer Dittrich daar een andere visie op.

De voorzitter:

De heer Dittrich nog.

De heer Dittrich (D66):

Ik weet niet of die zo anders is, want we hebben dezelfde hoorzitting gehad. 12 juni is de datum waarop het Migratiepact in werking moet treden. We leven nu al half april, op 21 april stemmen we erover en dan treden deze wetten ergens in mei in werking, dus laten we zeggen, vier, vijf of maximaal zes weken van tevoren. Het is natuurlijk heel raar. De IND heeft in de hoorzitting die we georganiseerd hebben, zelf aan ons gevraagd: alsjeblieft, als je die wetten wilt aannemen, laat dan alles gelijktijdig in werking treden, zodat we niet de systemen keer op keer moeten veranderen. Mevrouw Karimi had het al over de tientallen, misschien wel honderden medewerkers die de IND moet aannemen om alles in gang te kunnen zetten. Wij willen niet dat er een chaos ontstaat. Daarom de vraag: hoe gaat de minister dat doen rond de inwerkingtreding van deze drie wetten en het Asiel- en Migratiepact?

De heer Schalk (SGP):

Ik heb een hele korte vraag, die zojuist bij mijn vorige vraag is blijven hangen. Er is al gezegd dat in het regeerakkoord staat: als deze wetten worden aangenomen, gaan we ze onverkort uitvoeren. Ik heb gehoord dat de heer Dittrich grote bezwaren heeft tegen deze wetgeving en dergelijke. Dat respecteer ik uiteraard. Maar acht hij, mede namens zijn fractie, deze wetten wel uitvoerbaar?

De heer Dittrich (D66):

Dat is inderdaad een heel goede vraag, want mijn betoog gaat erover dat de uitvoeringsinstanties zeggen dat ze niet uitvoerbaar zijn. Als degenen die ermee moeten werken zeggen dat ze niet uitvoerbaar zijn, wie zijn wij dan, u en ik, om in deze zaal te zeggen dat ze wél uitvoerbaar zijn? Terugkerend naar het coalitieakkoord: de heer Schalk weet net zo goed als ik dat, als we het staatsrechtelijk bekijken, de Eerste Kamerfracties geen coalitieakkoord hebben gesloten. Dat zijn de Tweede Kamerfracties. Zij zijn daaraan gebonden. Uiteraard zijn wij lid van D66, de partij die bij de verkiezingen het grootst is geworden en die het coalitieakkoord mede tot stand heeft gebracht. Maar we hebben ook een verkiezingsprogramma. In het verkiezingsprogramma van D66 staat dat illegaliteit niet strafbaar zou moeten worden gesteld. Onder andere op basis van dat verkiezingsprogramma zijn wij gekozen.

De heer Schalk (SGP):

Dank voor dit uitgebreide antwoord. Ik constateer echter dat al die uitvoeringsinstanties al gereageerd hadden vóórdat het coalitieakkoord werd gesloten. Dat is ongetwijfeld meegenomen door de formerende partijen. Ik ben het met de heer Dittrich eens dat de Eerste Kamerfractie het regeerakkoord niet gesloten heeft.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Tot slot. In de rebound, na de hoorzitting en na het sluiten van het regeerakkoord, heb ik contact gehad met uitvoeringsinstanties. Zij zijn niet op hun schreden teruggekeerd. Als de heer Schalk denkt dat dat wel zo is, zou ik hem willen vragen om mij een brief te laten zien van de IND, van het COA, van de politie, van het OM, van de Inspectie Justitie en Veiligheid of van welke organisatie dan ook waarin staat dat zij dit na het regeerakkoord opeens goede wetgeving vinden. Die is er niet.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Schalk van de SGP.