Verslag van de vergadering van 12 mei 2026 (2025/2026 nr. 28)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 17.52 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Kroon i (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Aan de orde is het voorstel van de wijziging van de Wet op het financieel toezicht in het specifieke domein van het betalingsverkeer; ik ga het een beetje inkorten. Ik heb best veel tekst, dus ik maak een "shortcut", zoals dat in het Engels heet. De BBB-fractie ondersteunt de doelstelling van de wet en beschouwt deze wet als noodzakelijk en doelmatig voor de maatschappij als geheel en voor het collectief van financiële instellingen.
Voorzitter. Een goede chartale infrastructuur draagt bij aan de weerbaarheid van de samenleving, zeker in tijden van crisis en disruptie. De BBB-fractie merkt overigens wel op dat al de moeite die gestoken wordt in het in stand houden van het chartaal betalingsverkeer, haast diametraal staat op de initiatieven van het kabinet om contante transacties te ontmoedigen, onder andere door de recent behandelde wet tegen witwassen; de heer Van den Oetelaar refereerde daaraan. Wanneer we dat lang genoeg ontmoedigen, zal er wellicht een contantebetalingsinfrastructuur zijn, maar nauwelijks contant betalingsverkeer. We weten allemaal hoe dat gaat: een niet gebruikte infrastructuur is gedoemd om in de vergetelheid te raken. Graag een reflectie van de minister op dit ogenschijnlijk tegengestelde beleid.
Wat de kern van de wet betreft geeft de minister in de beantwoording van de vragen aan dat het wetsvoorstel de mogelijkheid voor banken wegneemt om het dienstverleningsniveau uit efficiencyoverwegingen te verlagen. Het gaat om de eisen die gesteld worden aan beschikbaarheid en bereikbaarheid. Hier ligt natuurlijk wel de essentie van deze wet, maar welke eisen beoogt de minister nou uit te werken in die algemene maatregel van bestuur? Kan hij concreet zijn? Welke toetsingscriteria gaat de minister hanteren? Zijn die criteria gelijk voor stad en platteland? Hoe voorkomt de minister dat deze criteria discriminerend zijn voor mensen die minder mobiel zijn, vanuit demografie, vanuit economische omstandigheden of simpelweg vanuit ziekte en gebrek? Graag een brede uiteenzetting.
Wanneer deze vragen in het voorliggende wetgevingsproces in redelijkheid beantwoord waren, had deze wet wat de BBB-fractie betreft een hamerstuk kunnen zijn, zij het niet dat deze wet behoorlijk geamendeerd is. De amendementen van Flach cum suis waren echt niet nodig geweest als de minister op voorhand een volledige wetstekst had gemaakt. Dit betreft dan niet alleen het amendement-Flach c.s., maar ook het amendement-Van Berkel betreffende het balanstotaal van kleinere banken, de implementatietermijn van de stortingsverplichtingen, het amendement-Flach betreffende het nultarief en het amendement-Ergin over de beschikbaarheid voor kwetsbare groepen en de bereikbaarheidsnorm van 5 kilometer. Die amendementen lijken te voorzien te zijn geweest.
Wanneer het ministerie op voorhand een beetje consultatie had gedaan, hadden deze onderwerpen in eerste aanleg in de wet verwerkt kunnen worden. Zeker betreffende het amendement-Flach over het nultarief had dat de implementeerbaarheid vergroot. Het gaat me nu te ver om ook nog alle moties in de Kamer te bespreken, maar ik vraag aan de minister of hij het met onze fracties eens is dat een bredere en diepere voorbereiding van de wet veel van de amendementen en moties had kunnen voorkomen en dat zulks ook veel beter was geweest voor de kwaliteit van het wetgevingsproces. Dan verwijs ik graag naar het persbericht van vandaag bij BNR: het Adviescollege toetsing regeldruk geeft aan dat 50% van de wetgeving onvoldoende is voorbereid. Is dit niet een voorbeeld van zo'n matige voorbereiding?
Dan de amendementen. Het amendement-Flach impliceert een wettelijk recht op een betaalrekening. De BBB-fractie is van oordeel dat noch in de behandeling in de Tweede Kamer noch in de schriftelijke behandeling in de Eerste Kamer een eenduidig beeld verkregen is van de betekenis van het wettelijke recht op een betaalrekening. Er zijn immers veel verschillende soorten betaalrekeningen, die niet allemaal dezelfde functionaliteiten hebben. Vanuit de bankensector komt dus de vraag om meer concrete duiding van de scope van dit wettelijk recht. Kan de minister concreet duiding geven over welke functionaliteiten er behoren tot de zogenaamde basisbetaalrekening, die nu dus wettelijke borging krijgt?
Door partijen, banken en VNO-NCW was reeds een convenant ondertekend om te komen tot acceptatiecriteria. Dat hoort er natuurlijk bij. Ze hadden daarin een inspanningsverplichting toegezegd. Daar heeft de minister over gesproken. De minister zou daarover in contact treden met de AFM. Wij zijn toch nieuwsgierig — daar hebben we namelijk weinig op teruggehoord — of dat overleg met de AFM heeft plaatsgevonden. Wat is daaruit gekomen? Gaat de minister het wettelijke kader dat hij gaat scheppen ook synchroniseren met de contouren van het convenant? Zou het zo kunnen zijn dat de uitvoering van het convenant de facto de volledige uitvoering van het amendement is? Als dat niet zo is, zou de minister dan de voorwaarden uiteen kunnen zetten die ontbreken om via de implementatie van het convenant tot een invulling van het amendement te komen? Het recht op een zakelijke betaalrekening is wat de BBB-fractie betreft noodzakelijk. We zien daar ook specifiek graag op toe in de geplande evaluatie.
Dan het amendement-Flach, over het recht op een nultarief voor het opnemen en storten van geld voor particuliere kerkgenootschappen, stichtingen en verenigingen met een anbistatus. Nu dit onderwerp via een amendement in de wet gekomen is, zijn banken mogelijk onvoldoende tijdig voorbereid op de wettelijke verplichting ter zake. Het classificeren van rekeninghouders, met alle vormen van zorgvuldigheidsvereisten, is een complexe zaak. Herkent de minister deze zorg? Wat heeft de minister in zijn instrumentarium om de implementatie van het amendement meer ruimte te geven?
Voorzitter. Dan het laatste amendement. Daar is al best veel over gesproken. Ik wil dan graag beginnen met de opmerking dat het wat ons betreft inderdaad in de Wbfo, de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen, thuishoort, zoals mevrouw Vogels ook aangaf. Zoals de heer Martens, de heer Van Apeldoorn en mevrouw Vogels al aangaven, is dit een amendement op een andere wet dan het wetsvoorstel. Is de minister het ook met ons eens dat de gekozen route hier echt een onwenselijke is? Zou de minister dergelijke amenderingen, los van het feit of je het er wel of niet mee eens bent, niet beter kunnen ontraden of het oordeel ontijdig kunnen geven, zodat we er op een ander moment een gedegener bestudering van kunnen doen? Dit wetsvoorstel verdient dat.
Daarbij verwijs ik naar de tekst van de heer Martens en de heer Van Apeldoorn. We dragen nog steeds de sporen van de crisis van achttien jaar geleden. Er was toen een groot maatschappelijk draagvlak om de risicobereidheid van maatschappelijke instellingen in te perken en daarmee de cultuur te veranderen. De deconfiture van ABN AMRO en SNS Bank staat ons nog steeds bij. Voor een deel van de banken liep het goed af, voor een deel nog steeds niet. Ik denk dat de maatschappij de investering in deze twee banken nog steeds niet heeft terugverdiend. Er was dus duidelijk private winst en publiek verlies: een wedstrijd zonder nieten; wel een bonus, maar geen malus. En dat bij banken en vermogensbeheerders die feitelijk maatschappelijke infrastructuur en maatschappelijk vermogen beheren.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende, was het vanuit deze achtergrond dan niet beter geweest om een echt debat te hebben gehad in de Tweede Kamer over het onderwerp variabele beloning in de financiële dienstverlening? Had de minister dan niet de verantwoordelijkheid kunnen nemen om dat te initiëren naar aanleiding van het amendement, zodat we een zorgvuldiger proces hadden gehad? Dat blijkt ook uit de behandeling. In de vragen die de minister kreeg in de Tweede Kamer was zijn focus in zijn antwoord heel erg gericht op IT'ers. In de schriftelijke behandeling bij de Eerste Kamer lag de focus in zijn antwoord heel erg op de juridische betekenis of, zoals eerder geduid door mevrouw Vogels, de identified staff. Die twee uitleggen zijn dermate verschillend dat dat wat onze fracties betreft bewijst dat we er een beter debat over hadden moeten voeren. Ik kan de gedetailleerde uiteenzetting van mevrouw Vogels niet beter geven dan zijzelf heeft gedaan, maar ik heb er wel een paar opmerkingen over.
In de schriftelijke beantwoording is er onderscheid gemaakt tussen drie categorieën financiële ondernemingen. Voor de categorie A lijkt er door automatische implementatie van de Europese wetgeving voldoende borging te zijn van handhaving en toezicht. Zoals mevrouw Vogels ook opmerkte heeft dit ook impact op categorie B. Dat zijn wel financiële instellingen, maar die vallen niet onder grootbanken en grote vermogensbeheerders. De AFM en DNB stellen voor om het toezicht te baseren op de sectorale regelgevers, maar het feit dat ze die suggestie doen, betekent dat ze nog niet precies weten hoe ze dat moeten doen. Is dat voor de minister, als instellingsverantwoordelijke voor deze twee, dan geen overhaaste stap? Was het niet wenselijk geweest om het toezicht op categorie B toch in een verdiept wetstraject te regelen en daarbij de toezichthouders te betrekken en toetsing te vragen aan de Raad van State? Graag een reflectie.
Uit hetzelfde verslag blijkt met betrekking tot de zogenaamde categorie C-ondernemingen het volgende. Mevrouw Vogels wees daar ook op. Het gaat om de 6.100 financieel adviseurs, althans de vergunninghouders. Voor deze sector is er dus geen Europees kader. Met het wegvallen van deze regelingen opereert deze sector eigenlijk zonder normatief kader. Het is juist deze sector die direct in contact staat met burgers en consumenten. Dus juist deze sector geeft een verhoogd risico voor burgers en consumenten. Hoe beoordeelt de minister het wegvallen van dit toezichtkader en het normenkader? Deelt de minister de zorg van de toezichthouders, de AFM en DNB, over het ontbreken van normering en wetgeving? We zijn benieuwd naar de beantwoording van de vragen.
De voorzitter:
Dank u zeer. Ik geef het woord aan de heer Martens voor een interruptie.
De heer Martens i (GroenLinks-PvdA):
Wat de heer Kroon net zei, kan ik heel goed volgen. Daarom vraag ik aan de heer Kroon hoe hij kijkt naar mijn suggestie om de minister te vragen om het wetsvoorstel te splitsen, zodat we gevolg kunnen geven aan alles wat we net samen constateren. We krijgen daar straks natuurlijk nog een reactie op en het antwoord op uw vragen; dat moeten we daar allemaal in meewegen.
De heer Kroon (BBB):
Ik dank u voor de vraag. Het is natuurlijk een heel aantrekkelijk moment om hier wetsgeschiedenis te gaan schrijven en iets te doen wat eigenlijk niet bij onze Eerste Kamer hoort. Ik ga dat ook niet doen, meneer Martens. Als ik dat nu deed, zou ik dat ook hebben moeten doen bij een huurwet waar een leegstandsvergunning ingefietst werd. Zo kan ik over de afgelopen drie jaar nog een aantal andere voorbeelden verzinnen van wetten die we uit elkaar hadden moeten trekken. Dus ik deel uw zorg. Ik denk dat dit uit mijn tekst ook blijkt. Ik deel in mindere mate uw zorg over de bonuscultuur in Nederland. Dat geeft mij niet de intentie en voldoende enthousiasme om wetsgeschiedenis te gaan schrijven.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Kroon, voor uw bijdrage aan het debat. Ik kijk even rond met de vraag of een van de andere leden nog het woord wenst in de eerste termijn. Dat is niet het geval.
Ik kijk even naar de overzijde om te zien hoeveel tijd de minister nodig heeft. Ik zie een handgebaar voor tien minuten. Dan gaan we dat doen. Dat betekent dat ik de vergadering schors tot 18.15 uur.