Verslag van de vergadering van 9 juni 2026 (2025/2026 nr. 32)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 14.37 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Voorzitter. Vandaag spreken we opnieuw over het bedrag ineens van maximaal 10% van het pensioenvermogen als je met pensioen gaat: het bedrag ineens alleen voor de mensen die met pensioen gaan in 2029 of later. De mensen die tussen 2021 en 2029 met pensioen zijn gegaan of nog gaan, hebben het nakijken. Deze gepensioneerden missen dus de boot. Dat is misschien wel het meest veelzeggende aan dit debat.
In januari 2021 werd de oorspronkelijke Wet bedrag ineens aangenomen. Het was onderdeel van het door 50PLUS vermaledijde pensioenakkoord uit 2019. Dat moest tot stand komen en daarom moest het initiatiefwetsvoorstel van het Tweede Kamerlid van 50PLUS Van Rooijen worden verworpen in januari 2019. Immers, bij de door mij voorgestelde 2% vaste rekenrente zou de dekkingsgraad met 30% stijgen, zouden dreigende kortingen worden voorkomen en pensioenen gewoon geïndexeerd worden. Maar de toenmalige variabele rekenrente van 0%, met als gevolg kortingsdreiging, was nodig om ons allemaal wijs te maken, te doen geloven, dat ons pensioenstelsel onhoudbaar was, het beste pensioenstelsel ter wereld, waar de wereld nog steeds stikjaloers op is. Door die variabele rente hebben de pensioenfondsen overigens 100 miljard verloren op de renteafdekking. Hoe is het mogelijk? Niet het stelsel was onhoudbaar, zei ik, maar de knotsgekke rente van de president van De Nederlandsche Nederlandse Bank.
Voorzitter. Ik herhaal dit verhaal nog maar eens voor de Handelingen en de parlementaire geschiedenis. Er komt zeker een parlementaire enquête over dit ongekende pensioendrama. Het voorgestelde bedrag ineens was en is een ondoordacht onderdeel van dat pensioenakkoord. Het pensioenakkoord was een gevolg van het regeerakkoord uit 2017 van Rutte III, waarin stond dat er een individueel pensioenstelsel zou komen. Dat was een vurige wens van D66, met Koolmees voorop. Gelukkig heeft de FNV dat voor een deel kunnen voorkomen. De wens voor een koopkrachtig pensioen is nu al verdampt, immers, voor gepensioneerden zal er niet geïndexeerd worden. Pensioenfonds Zorg en Welzijn vreest volgend jaar al te moeten korten. Hoe is het mogelijk?
De wens voor een koopkrachtig pensioen is nu al verdampt, zei ik. Dit moest me nog even van het hart, maar nu genoeg over terugkijken. Burgers zouden meer keuzevrijheid krijgen. De invoering stond eerst al gepland voor 2021 of 2022. Daarna volgde uitstel op uitstel. Mevrouw Bezaan heeft het nog toegelicht. Inmiddels spreken we over invoering per 1 januari 2029. Dat is acht jaar na aanname van het oorspronkelijke wetsvoorstel. Als een regeling die bedoeld is om mensen meer keuzevrijheid te geven bijna een decennium nodig heeft om uitvoerbaar te worden gemaakt, dan moeten we onszelf de vraag stellen: hebben we hier nog wel te maken met een eenvoudige keuzevrijheid, of met een fundamenteel verkeerde constructie? 50PLUS heeft vanaf het begin gewaarschuwd voor precies de problemen die zich nu voordoen. Dat is niet omdat wij tegen keuzevrijheid zijn, of omdat wij gepensioneerden niet een stukje bestedingsvrijheid zouden gunnen, bijvoorbeeld voor een camper, die overigens sinds dit jaar dubbel belast wordt. Dat is omdat de keuzevrijheid alleen betekenis heeft als mensen de gevolgen van hun keuze kunnen overzien. Juist dat blijkt hier buitengewoon moeilijk.
De deskundigenbijeenkomst bevestigde onze zorgen. Tijdens die bijeenkomst van 18 maart 2025 werd een opmerkelijk beeld zichtbaar. Vrijwel alle deskundigen onderschreven dat de gevolgen van een bedrag ineens voor burgers moeilijk te doorgronden zijn, niet alleen vanwege de belastingen, maar ook vanwege toeslagen, inkomensafhankelijke regelingen, inkomensafhankelijke heffingskortingen, gemeentelijke regelingen, eigen bijdragen, de verschillen tussen huishoud- en woonsituaties en ook overlijden. Ook speelt een rol of het bedrag ineens als box 3-vermogen wordt aangehouden als je het niet uitgeeft. 50PLUS heeft erop gewezen dat de nadelige gevolgen voor de toeslagen het meest in het oog springen.
Het amendement-Inge van Dijk is verworpen. Dat vroeg om een uitzondering op het toetsingsinkomen voor de toeslagen. De oplossing die vervolgens wordt voorgesteld, is een rekentool. Overigens stelde de 50PLUS-fractie die voor als een, let wel, mogelijk hulpmiddel. In antwoord op een vraag van 50PLUS is door de minister gesteld dat de focus bij die tool dan ligt op bruto- en nettobedragen, inclusief de toeslagen. Dat is dus geen tool met exacte bedragen, maar met — nou komt het — een kleurenschema risicometers. Dat klinkt praktisch, maar voor 50PLUS is juist die rekentool nu het bewijs van het probleem gebleken, eerder dan een oplossing. Als een burger eerst een complexe digitale simulatie nodig heeft om te begrijpen of het financieel verstandig is om gebruik te maken van een wettelijk recht, dan hebben we geen eenvoudig keuzerecht gecreëerd, maar een risico en een dilemma. De vraag is daarom niet óf de rekentool goed genoeg wordt, maar waarom die rekentool, die nog moet worden ontwikkeld, überhaupt noodzakelijk is. Onze vraag aan de minister is: wanneer komt het Nibud nu met de rekentool? Dat zou in mei/juni het geval zijn, dacht ik.
In de schriftelijke ronde heeft 50PLUS een aantal vragen gesteld die naar onze mening nog steeds niet voldoende zijn beantwoord. Wij vroegen waarom in eerste instantie vooral werd gesproken over de effecten op de toeslagen, terwijl een bedrag ineens ook grote gevolgen kan hebben voor andere inkomensafhankelijke regelingen, zoals zojuist genoemd.
Voorzitter. Ik citeer nu uit de toelichting op het amendement op stuk nr. 11 (36154) van Agnes Joseph uit de Tweede Kamer: "De keuze voor een bedrag ineens kan onwenselijke gevolgen hebben voor deelnemers. Het NIBUD becijferde eerder dat mensen na opname van het bedrag ineens mogelijk maar een klein deel van dit bedrag overhouden als er rekening gehouden wordt met toeslagen. Waarbij het gevaar bestaat dat mensen eerst het bedrag ineens (…) uitgeven, en er daarna achter komen dat ze een groot deel van ontvangen toeslagen moeten terugbetalen." Stel, je hebt een bedrag ineens van €4.000 en je moet daarover €3.000 aan toeslagen terugbetalen. Dan houd je nog maar 25% over. Ik had Agnes Joseph bij de voorbereiding overigens gevraagd wat de vuistregel is bij het berekenen van de hoogte van het bedrag ineens. Die vuistregel is eigenlijk dat je de jaarlijkse pensioenuitkering die je hebt met twintig moet vermenigvuldigen en daar 10% van moet nemen. Bij een pensioen van €5.000 is dat dus een ton en 10% daarvan is €10.000. Bij een pensioen van €5.000 mag je dus €10.000 opnemen, maar daar houd je dan waarschijnlijk maar €2.000 of €3.000 van over.
50PLUS heeft daarnaast gewezen op een ongemakkelijke werkelijkheid. Niet iedere gepensioneerde houdt netto hetzelfde over van een bedrag ineens. Sterker nog, deskundigen hebben bevestigd dat de netto-uitkomsten sterk kunnen verschillen. Mensen met hogere inkomens hebben vaak minder of zelfs geen afhankelijkheid van toeslagen en inkomensafhankelijke regelingen. We zouden kunnen zeggen dat zij relatief meer van het bedrag ineens behouden. Daardoor is de keuze gemakkelijk gemaakt. Mensen met lagere inkomens kunnen juist worden geconfronteerd met die teruglopende toeslagen of verlies van andere tegemoetkomingen. Mijn vraag aan de minister is daarom opnieuw: heeft het kabinet inmiddels inzichtelijk kunnen maken hoeveel er van een bedrag ineens netto overblijft voor verschillende inkomensgroepen? Uit de antwoorden op de vragen van 50PLUS in de schriftelijke behandeling blijkt dat de laagste pensioenen, €200 per maand, het meeste overhouden: 50%. De lage pensioenen, €450 per maand, houden het minste over: 34% of soms zelfs 22%. De hoge pensioenen — als voorbeeld werd gekozen €5.000 per maand — houden zeg maar 50% over.
Keuzevrijheid of een keuzedilemma? Een burger behoort te kunnen begrijpen wat een wet betekent. Dat is een fundamenteel beginsel van goed bestuur. Hier zien wij een regeling waarbij burgers straks mogelijk geconfronteerd worden met de eerder genoemde doolhof van inkomensafhankelijke regelingen. Kan de minister uitleggen waarom hij nog steeds spreekt over een eenvoudig keuzerecht? Graag een uitleg. Is hier niet eerder sprake van een grote, onoverzichtelijke doolhof, een situatie waarin mensen achteraf ontdekken dat de netto-opbrengst van de opname ineens veel lager is dan zij vooraf hadden verwacht? Is de minister bereid om te erkennen dat de combinatie van fiscaliteit en toeslagen veel ingewikkelder is gebleken dan vooraf werd voorgesteld? Daar komt de onzekerheid over het pensioen in de toekomst nog bij, als gekozen wordt voor een bedrag ineens.
Mevrouw Kellermann van Pensioenfonds Zorg en Welzijn zei tijdens de deskundigenbijeenkomst: "Ik zei net al dat het mediane pensioen van onze gepensioneerden ongeveer €5.400 per jaar is. Dat geeft dus al aan dat er een enorme range is, want het gemiddelde pensioen bij Pensioenfonds Zorg en Welzijn is €10.000. Voor veel van onze deelneemsters — want 85% van de deelnemers van Pensioenfonds Zorg en Welzijn is vrouw — is de AOW-component veel groter en veel belangrijker dan dat kleine pensioen." Het is goed dat mevrouw Kellermann er nog eens op wijst dat voor de meeste vrouwen de AOW belangrijker is dan het aanvullend pensioen. Ik zeg dus tegen de minister: handen af van de AOW en handen af van de AOW'ers. Mediaan betekent immers dat de helft van de deelnemers van Pensioenfonds Zorg en Welzijn een pensioen heeft van minder dan €5.400 per jaar, minder dan €450 per maand. Dat komt vooral doordat veel vrouwen parttime hebben gewerkt. Hoe kijkt de minister hiernaar? 50PLUS wil juist opkomen voor deze deelnemers met een klein pensioen, voornamelijk vrouwen, ook bij dit voorstel.
Uitvoerbaarheid blijft het centrale probleem. Ook pensioenuitvoerders hebben herhaaldelijk gewezen op uitvoeringsproblemen. Daarom ligt het aangepaste wetsvoorstel voor. De oorspronkelijke oplossing bleek onvoldoende uitvoerbaar. Ik heb een aantal heel logische vragen aan de minister. Hoeveel vertrouwen heeft de minister er zelf nog in dat 1 januari 2029 haalbaar is? Welke harde voorwaarden moeten nog worden vervuld? Welke risico's ziet hij nog en wat gebeurt er als in 2028 opnieuw blijkt dat burgers onvoldoende inzicht hebben in de financiële gevolgen? Volgt dan opnieuw uitstel? Kan de minister ons garanderen dat er meer inzicht komt om de gevolgen van de keuze te onderkennen?
Na jaren van aanpassingen, onderzoeken, uitvoeringsproblemen, deskundigenbijeenkomsten, rekentools en uitstel komen we uiteindelijk bij de fundamentele vraag: wordt deze wet eigenlijk beter van de reparatie? Of proberen we een constructie werkbaar te maken die in de kern te ingewikkeld is? Dat is geen theoretische vraag. Dat is de vraag die voorligt na acht jaar discussie. We hebben vanaf het begin gewaarschuwd voor de gevolgen van de verwevenheid tussen pensioen, fiscaliteit en toeslagen. Een regeling die alleen begrijpelijk wordt na complexe berekeningen, is voor veel burgers geen echte keuzevrijheid.
Het bedrag ineens wordt gepresenteerd als extra keuzevrijheid. Voor veel mensen is dit helaas ook de enige extra keuze in het nieuwe pensioenstelsel. Verder wordt er over hen beslist. Zelfs die enige keuze stuit op allerlei problemen. De hoogte van het bedrag kan sterk veranderen door de rente, de rekenrente en de marktomstandigheden. De gevolgen voor het latere pensioen zijn niet eenvoudig te overzien. De fiscale gevolgen zijn ingewikkeld, de gevolgen voor toeslagen zijn ingewikkeld en dan hebben we het nog niet over de gemeentelijke regelingen, de schulden, partnerinkomen of andere persoonlijke omstandigheden. Dan is de vraag: wat betekent het persoonlijke pensioen eigenlijk nog? Mensen zien een persoonlijk pensioenvermogen, maar begrijpen niet waarom dat vermogen in korte tijd sterk kan veranderen. Dat is in de afgelopen jaren gebleken. Binnen een kwartaal kon 30% van het opgebouwde pensioenvermogen verdampen. Mensen kunnen dat niet overzien. We hebben een groot probleem als mensen een bedrag ineens mogen opnemen, maar achteraf worden geconfronteerd met een lager pensioen, minder toeslagen of terugvorderingen.
Voorzitter. 50PLUS vindt dat dit niet alleen een technisch probleem is. Dit raakt aan vertrouwen, vertrouwen in pensioen, vertrouwen in de overheid, vertrouwen in de beloftes die bij het pensioenakkoord zijn gedaan. Daarom vraag ik de minister het volgende. Hoe moeten pensioenuitvoerders in hun keuzebegeleiding uitleggen dat het bedrag ineens sterk kan verschillen — ik zei het al: per kwartaal — door renteontwikkelingen of marktontwikkelingen? Hoe wordt voorkomen dat de deelnemers denken dat zij beschikken over een stabiel pensioenvermogen, terwijl dat vermogen in korte tijd fors kan veranderen? Kan de minister aangeven hoe pensioenuitvoerders deelnemers concreet moeten informeren over het effect van de rente, de rekenrente, het beleggingsrendement en de solidariteitsreserve op de hoogte van het bedrag ineens? Erkent de minister ten slotte dat deze complexiteit op gespannen voet staat met de belofte dat het nieuwe pensioenstelsel transparanter en persoonlijker zou worden?
Voorzitter. Ik rond af. 50PLUS is niet tegen keuzevrijheid. Integendeel, mensen moeten zeggenschap hebben over hun eigen pensioen. Maar keuzevrijheid zonder begrijpelijkheid is geen echte keuzevrijheid. Als het bedrag ineens straks het symbool moet zijn van meer keuzevrijheid in het nieuwe stelsel, dan moet die keuze wel eerlijk, uitlegbaar en verantwoord zijn. Anders blijft er ook van die belofte van het pensioenakkoord weinig over. Mijn fractie wacht de antwoorden van de minister met belangstelling af.
De voorzitter:
U heeft een vraag van mevrouw Moonen.
Mevrouw Moonen i (D66):
Ik heb eerst even het hele betoog afgeluisterd. Ik heb een vraag over het begin van het betoog van de heer Van Rooijen. De heer Van Rooijen schetst een beeld alsof de financiële situatie van Nederland totaal ongezond zou zijn. Dat herken ik niet uit de feiten en de cijfers. Als we kijken naar de afgelopen jaren, ook naar de overgang naar het nieuwe stelsel, dan zien we juist dat een aantal fondsen een hele stabiele financiële situatie kennen, dat ze de pensioenen van de deelnemers en ook van de gepensioneerden juist sterk hebben kunnen indexeren. Indexaties hebben ze jarenlang niet gehad. Als je de indexaties optelt, dan kom je echt tot hoge percentages. Dat geldt voor het ABP, voor PFZW, voor de bouw. U heeft het over vertrouwen. Bij vertrouwen hoort ook dat we hier een realistisch beeld schetsen van deze feitelijke situatie en de financiële gezondheid van fondsen en dat we dat waarheidsgetrouw moeten weergeven. Ik herken dus niet het beeld waarmee u uw betoog begon.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
U stelde die vraag ook in een eerder debat. Ik geloof dat dat het debat met de minister-president van begin april was. Dat is de sigaar uit eigen doos die je bij invaren krijgt. Als je eerst 30% indexatie niet hebt gekregen en er dus heel grote buffers zijn opgebouwd, met name door de gepensioneerden, dan is het natuurlijk wel fijn dat je een eenmalig cadeautje krijgt uit wat je allemaal niet hebt gekregen, maar je hebt nog steeds een enorme indexatieachterstand. Dat is één. Twee. De pensioenfondsen waren eigenlijk schatrijk. Het vermogen is gegaan van 600 miljard naar ruim 2.000 miljard, maar door wanbeleid bij de beleggingen en door renteafdekking die nodig was door de variabele rente, is er 100 miljard alleen al aan swaps de lucht in gevlogen. Daardoor is het vermogen van de pensioenfondsen van ruim 2.000 miljard gedaald naar 1.300, 1.400 miljard, en nu zitten we weer op 1.600 miljard, omdat de beurzen het beter doen. Maar als een kwart van het pensioenvermogen is verdampt in de afgelopen jaren, van 2.000 miljard naar 1.500 miljard euro, dan kun je niet zeggen dat de pensioenfondsen er goed voor staan. Dat komt vooral door het slechte beleggingsbeleid.
Ik wijs er ten slotte op dat de dekkingsgraad op geen enkele manier de gezondheid van een pensioenfonds aangeeft. Dat is een puur boekhoudkundige exercitie. Als het vermogen aan de debetzijde met 500 miljard euro daalt, maar door een stijging van de rekenrente de verplichtingen boekhoudkundig ook met 500 miljard euro dalen, dan lijkt het er goed uit te zien. Maar je bent wel 500 miljard euro armer, want die verplichtingen moeten uiteindelijk gewoon worden nagekomen. Dat die nu boekhoudkundig lager uitvallen, zegt eigenlijk helemaal niets. Maar ik vertel u niets nieuws.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie nog een interruptie van de heer Dessing.
De heer Dessing i (FVD):
Ik heb met zeer veel belangstelling geluisterd naar het betoog van de heer Van Rooijen. Hij is op dit terrein natuurlijk een specialist. Ik ben benieuwd hoe hij een aantal praktische bezwaren van deze regeling afweegt tegen het begrip "keuzevrijheid", dat hij ook een warm hart toedraagt. Hoe valt die afweging voor hem uit? Of stel ik die vraag te vroeg? Ik ben oprecht geïnteresseerd.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Dank voor deze vraag. Mijn fractie worstelt inderdaad met het dilemma van de keuzevrijheid. U heeft uit mijn betoog gehoord dat wij gepensioneerden dat keuzerecht in beginsel gunnen, zeker wanneer hun pensioen niet afhankelijk is van allerlei inkomensafhankelijke regelingen. Als je een wat beter pensioen hebt, dan gunnen wij je die keuzevrijheid natuurlijk. Waar wij mee worstelen — collega Van Apeldoorn wees daar ook al op — is dat mensen met een klein pensioen veel minder goed in staat zullen zijn zich goed te laten informeren. Zij hebben geen belastingadviseur en dergelijke. Bovendien is het stelsel van belastingen, pensioenen, toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen buitengewoon ingewikkeld. Ik heb u de berekeningen al genoemd die wij ook schriftelijk hebben opgevraagd. Bij een pensioen van ongeveer €450 per maand, dus een klein pensioen, houd je uiteindelijk soms slechts 20% tot 30% van dat bedrag over.
50PLUS komt daarom in die afweging toch meer uit bij de gedachte dat wij deze mensen moeten beschermen tegen het maken van een verkeerde keuze als gevolg van onvoldoende informatie of inzicht. Ik moet er niet aan denken dat mensen straks — ik geloof dat het CDA in de Tweede Kamer hier ook al op wees — kiezen voor een bedrag ineens omdat zij denken aan een camper, een verbouwing of een vakantiereis, en vervolgens achteraf ontdekken dat zij er nauwelijks iets van hebben overgehouden. Of erger nog: dat zij toeslagen moeten terugbetalen terwijl het geld al is uitgegeven. Ik moet er niet aan denken dat zij vervolgens naar hun pensioenfonds of uitvoerder gaan en zeggen: ik ben verkeerd voorgelicht en ik ben erin getuind, dus ik wil dat dit wordt gerepareerd. Dat kan dan niet meer. En ik voorzie dat mensen vervolgens naar de rechter stappen en die vragen te beoordelen of de pensioenuitvoerder wel voldoende informatie heeft verstrekt om een verantwoorde keuze mogelijk te maken.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef graag het woord aan de heer Van Apeldoorn van de fractie van de SP.