De minister van Asiel en Migratie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Dittrich (D66), toe de Kamer te informeren over de wijze waarop de discretionaire bevoegdheid om in schrijnende gevallen een verblijfsvergunning te verlenen, wordt toegepast.
| Nummer | T04159 |
|---|---|
| Status | openstaand |
| Datum toezegging | 14 april 2026 |
| Deadline | 1 juli 2026 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Asiel en Migratie |
| Kamerleden | mr. B.O. Dittrich (D66) |
| Commissie | commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad (I&A/JBZ) commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad (I&A/JBZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Kamerstukken | Novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf (36.855) Asielnoodmaatregelenwet (36.704) Wet invoering tweestatusstelsel (36.703) |
Handelingen I 2025/2026, nr. 25, item 3
De heer Dittrich (D66):
(…)
Dan wil ik nog het volgende naar voren brengen. De minister beschikt nog steeds over de discretionaire bevoegdheid, want de minister van Asiel en Migratie heeft nog de bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen op humanitaire gronden. Dat betekent dat hij nog altijd in schrijnende gevallen een verblijfsvergunning mag verlenen. Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 27 augustus 2025 geoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft ook gezegd dat je de discretionaire bevoegdheid die in de wettekst staat, niet via een besluit mag afschalen. Daar heb je een wettelijke maatregel voor nodig, want een hogere maatregel mag niet door een lagere maatregel worden afgeschaft. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zegt: minister, u moet gemotiveerd gebruikmaken van die discretionaire bevoegdheid. Dus is mijn vraag aan de minister: is hij bereid weer een concrete en redelijke invulling te geven aan de discretionaire bevoegdheid? Dat lijkt mij belangrijk omdat de rechtsbescherming met het afschalen van de voornemen- procedure in het gedrang komt. Ik kan me zo voorstellen dat dat tot allerlei onrechtvaardige beslissingen zou kunnen leiden. De vraag aan de minister is: hoe gaat hij de uitspraak van de Raad van State honoreren? Op dit punt heb ik, als dat noodzakelijk is, een motie voorbereid.
Handelingen I 2025/2026, nr. 26, item 6
Minister Van den Brink:
(…)
Meneer Dittrich van D66 heeft mij gevraagd naar de discretionaire bevoegdheid. U verwees naar een Raad van State-uitspraak. Die klopt. De opvolging daarvan wordt op dit moment vormgegeven. De uitspraak van de Raad van State betekent dat er een beter en duidelijker beleid moet worden gevoerd wat betreft de discretionaire bevoegdheid en de vraag op welke momenten in de asielprocedure de discretionaire bevoegdheid wordt toegepast. Daar zijn uitspraken over gedaan door de Raad van State. We zijn daar op dit moment mee bezig. Ik verwacht daar binnenkort duidelijkheid over te geven. Dit kabinet is niet voornemens om de discretionaire bevoegdheid opnieuw politiek te maken. De bevoegdheid blijft dus bij de IND-directeur liggen, zoals we dat nu ook hebben vormgegeven. Dat kan ook binnen de uitspraak die er ligt.
De heer Dittrich (D66):
Dat wijkt wel enigszins af van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. In de wet staat de discretionaire bevoegdheid. Bij een besluit is die naar de IND overgeheveld. De Afdeling bestuursrechtspraak zegt: nee, die moet bij de minister blijven totdat er een wettelijke verandering heeft plaatsgevonden. Nu hoor ik de minister zeggen dat die bevoegdheid bij de IND-directeur wordt gehouden, maar dat wijkt dus af van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Mijn vraag is of de minister bereid is om op een zorgvuldige, gemotiveerde manier de discretionaire bevoegdheden te blijven hanteren, niet alleen in asielzaken, maar überhaupt in ontstane schrijnende situaties, want daar gaat de uitspraak van de Raad van State over.
Minister Van den Brink:
Laat ik u in ieder geval toezeggen dat de wijze waarop wij ermee omgaan zeker gemotiveerd zal zijn, in de reactie op de Raad van State. Ik zal u erover informeren als het volgende maand tot besluitvorming leidt. Voor zover ik het nu heb gezien, gaat het echt om aanpassing van het beleidskader. Dat wordt verondersteld als "invulling geven aan", maar in de brief die ik aan u doe toekomen, ga ik er gemotiveerder op in.
De heer Dittrich (D66):
Begrijp ik dat de Eerste Kamer volgende maand die brief krijgt, met daarin een gemotiveerde uitleg van hoe u daarmee omgaat?
Minister Van den Brink:
Jazeker.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2025/2026, nr. 26, item 6
-
behandeling Verslag EK 2025/2026, nr. 25, item 3
-
14 april 2026
toezegging gedaan